1. Memo
Van: G.W. Kamp
Datum: 25 april 2007
Betreft: Financieel toetsingskader voor ‘goede doelen organisaties
1. Inleiding
Ark Aid heeft behoefte aan een methodiek om goede doelen organisaties in financieel opzicht te kunnen toetsen.
Voor zover bekend is een dergelijk instrument niet voorhanden, althans niet zodanig dat dit voor Ark Aid voldoende bruikbaar is.
Door het Centraal Bureau Fondsenwerving worden criteria gehanteerd voor zowel het CBF-Keur als voor de Verklaring van geen bezwaar, die weliswaar enige financiële aspecten aangeven, maar deze criteria voldoen niet in voldoende mate aan de behoefte van Ark Aid.
Dit memo wil een aanzet zijn voor het ontwikkelen van een dergelijke methode, en kan de basis vormen voor verdere discussie over zaken als te toetsen aspecten, te gebruiken criteria, diepgang van een toetsing en over de wijze waarop een dergelijke toets zou kunnen worden uitgevoerd.
2. Goede doelen organisaties
De meeste organisaties die opgericht zijn om goede doelen te dienen, proberen hun doelstelling te bereiken onder andere met gebruik van geld. De wijze waarop daarmee gewerkt wordt kan daarbij zeer uiteenlopen.
Om enige structuur te krijgen in een beoordelingsmethode is het goed eerst enig onderscheid aan te brengen in de soorten organisaties.
Wellicht het belangrijkste onderscheid betreft de wijze waarop de organisatie actief is. Zo zijn met name de grotere organisaties veelal ingericht met professionele inzet. Daarmee wordt bedoeld dat mensen actief zijn binnen de organisatie die de activiteiten als hun dagelijkse werkzaamheden uitoefenen en er voor hun inkomen van afhankelijk zijn.
Andere organisaties, meestal de kleinere, proberen hun doel te bereiken door uitsluitend gebruik te maken van vrijwilligersactiviteiten.
Tussen deze twee uitersten in zijn er organisaties die zowel beroepskrachten als vrijwilligers gebruiken om hun doelen te realiseren.
In dit memo wordt verder onderscheid gemaakt tussen enerzijds organisaties die geheel of gedeeltelijk werken met beroepskrachten (verder aangeduid als professionele organisaties) en organisaties die uitsluitend werken met vrijwilligers (verder aangeduid met vrijwilligersorganisaties).
3. Financiën
Organisaties die werken met geld kennen inkomsten en uitgaven. In dit memo wordt specifiek gekeken naar de uitgaven van organisaties. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in uitgaven die rechtstreeks de doelstelling van de organisatie realiseren (verder te noemen: bestedingen) en uitgaven die gemaakt worden om die rechtstreekse uitgaven mogelijk te maken (verder te noemen: kosten).
Een financiële toets zal zich kunnen richten zowel op de kosten van een organisatie in relatie tot de bestedingen en op de bestedingen op zich.
Met betrekking tot de kosten kan onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de hoogte van de kosten ten opzichte van de bestedingen en anderzijds de soort en inhoud van de kosten afgezet tegen de bestedingen.
Voor de bestedingen kan met name gekeken worden naar de effectiviteit van de bestedingen ten opzichte van de te realiseren doelen.
4. Kosten van een organisatie
4.1 Hoogte van de kosten
Veel organisaties zullen kosten moeten maken om de bestedingen te kunnen realiseren. Deze kosten kunnen zeer divers zijn. De hoogte van de kosten zal sterk afhankelijk zijn van het soort organisatie. Verklaarbaar is dat professionele organisaties geconfronteerd worden met kosten die vrijwilligersorganisaties niet kennen, zoals met name personeelskosten.
Indien de kosten van een organisatie afgezet worden tegen de bestedingen kan gesteld worden dat daarbij een zekere verhouding bereikt dient te worden die het voor Ark Aid verantwoord maakt deze organisatie te ondersteunen.
Daarbij zou verschil gemaakt kunnen worden tussen professionele organisaties en vrijwilligersorganisaties.
Voor professionele organisaties zou een percentage vastgesteld kunnen worden van, bij voorbeeld, maximaal 25 % van de totale jaaromzet voor de kosten van de organisatie, terwijl voor vrijwilligersorganisaties dit percentage eerder op maximaal bijvoorbeeld 10% zou moeten uitkomen.
In tegenstelling tot de criteria van het CBF, zouden de kosten van fondsenwerving niet als een apart percentage van de baten uit fondsenwerving kunnen worden bezien, maar als een onderdeel van de totale kosten van de organisatie.
4.2 Soort en inhoud van de kosten
Indien de kosten van een organisatie voldoen aan de bovengenoemde criteria voor de hoogte van de kosten, zou een volgende stap kunnen zijn het kijken naar het soort en de inhoud van die kosten. Hiervoor zal het niet eenvoudig zijn meetbare criteria te ontwikkelen. Met name het gezond verstand zal hiervoor maatstaf zijn.
Als voorbeeld kan gelden de hoogte van het salaris van bijvoorbeeld de directeur.
Het past niet bij een goede doelen organisatie om de directeur te belonen met een topsalaris, bijvoorbeeld boven een ministerssalaris, ook al zou gesteld kunnen worden dat deze directeur in het bedrijfsleven navenant beloond zou worden.
Anderzijds kan gesteld worden dat een directeur van een goede doelenorganisatie een zodanig salaris dient te ontvangen dat daarvan fatsoenlijk geleefd kan worden.
Het feit dat de directeur werkzaam is bij een goede doelen organisatie wil niet zeggen dat die directeur wel op een houtje kan bijten.
De minister van Ontwikkelingssamenwerking krijgt niet een lager salaris dan de minister van Financiën of Economische Zaken, omdat Ontwikkelingssamenwerking meer een goed doel is dan de andere ministeries.
Bij het toetsen van een jaarrekening en/of begroting van een organisatie kan tevens gekeken worden of de opgevoerde kosten relevant zijn voor het doel van de organisatie.
Zo zal een organisatie die zelf actief armoede wil bestrijden in Afrika andere bedragen voor bij voorbeeld reis- en verblijfkosten laten zien dan een organisatie die datzelfde doet in achterstandswijken in de grote steden in Nederland.
Een organisatie die gebruik maakt van grote aantallen donateurs zal kosten maken voor een stevig automatiseringssysteem, terwijl iemand die solo werkt kan volstaan met een mobieltje en een p.c.
5. Bestedingen
Bij het beoordelen van de effectiviteit van bestedingen zal uiteraard de doelstelling van de organisatie als leidraad gelden.
Een bijzonder aspect daarbij is het signaleren van doorbetalingen aan andere organisaties. Hierbij ontstaat het gevaar van opstapeling van kosten door meerdere organisaties, waardoor het uiteindelijke rendement lager wordt. Iedere organisatie kan op zich voldoen aan alle criteria, maar dat wil niet zeggen dat het geld uiteindelijk voldoende wordt benut voor het doel.
Natuurlijk kan als voorbeeld een organisatie in Nederland niet alles zelf doen in de hele wereld en zal soms gebruik moeten maken van zusterorganisaties in een ander land, maar het rondpompen van geld om daarmee de kosten van organisaties te dekken is uiterst kwalijk.
In een aantal gevallen zal behoorlijk diep gespit moeten worden om hierop voldoen zicht te krijgen.
6. Tot slot
Op basis van dit stuk kan een discussie op gang gebracht worden die kan leiden tot het opzetten van een toets methode.
Van: G.W. Kamp
Datum: 25 april 2007
Betreft: Financieel toetsingskader voor ‘goede doelen organisaties
1. Inleiding
Ark Aid heeft behoefte aan een methodiek om goede doelen organisaties in financieel opzicht te kunnen toetsen.
Voor zover bekend is een dergelijk instrument niet voorhanden, althans niet zodanig dat dit voor Ark Aid voldoende bruikbaar is.
Door het Centraal Bureau Fondsenwerving worden criteria gehanteerd voor zowel het CBF-Keur als voor de Verklaring van geen bezwaar, die weliswaar enige financiële aspecten aangeven, maar deze criteria voldoen niet in voldoende mate aan de behoefte van Ark Aid.
Dit memo wil een aanzet zijn voor het ontwikkelen van een dergelijke methode, en kan de basis vormen voor verdere discussie over zaken als te toetsen aspecten, te gebruiken criteria, diepgang van een toetsing en over de wijze waarop een dergelijke toets zou kunnen worden uitgevoerd.
2. Goede doelen organisaties
De meeste organisaties die opgericht zijn om goede doelen te dienen, proberen hun doelstelling te bereiken onder andere met gebruik van geld. De wijze waarop daarmee gewerkt wordt kan daarbij zeer uiteenlopen.
Om enige structuur te krijgen in een beoordelingsmethode is het goed eerst enig onderscheid aan te brengen in de soorten organisaties.
Wellicht het belangrijkste onderscheid betreft de wijze waarop de organisatie actief is. Zo zijn met name de grotere organisaties veelal ingericht met professionele inzet. Daarmee wordt bedoeld dat mensen actief zijn binnen de organisatie die de activiteiten als hun dagelijkse werkzaamheden uitoefenen en er voor hun inkomen van afhankelijk zijn.
Andere organisaties, meestal de kleinere, proberen hun doel te bereiken door uitsluitend gebruik te maken van vrijwilligersactiviteiten.
Tussen deze twee uitersten in zijn er organisaties die zowel beroepskrachten als vrijwilligers gebruiken om hun doelen te realiseren.
In dit memo wordt verder onderscheid gemaakt tussen enerzijds organisaties die geheel of gedeeltelijk werken met beroepskrachten (verder aangeduid als professionele organisaties) en organisaties die uitsluitend werken met vrijwilligers (verder aangeduid met vrijwilligersorganisaties).
3. Financiën
Organisaties die werken met geld kennen inkomsten en uitgaven. In dit memo wordt specifiek gekeken naar de uitgaven van organisaties. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in uitgaven die rechtstreeks de doelstelling van de organisatie realiseren (verder te noemen: bestedingen) en uitgaven die gemaakt worden om die rechtstreekse uitgaven mogelijk te maken (verder te noemen: kosten).
Een financiële toets zal zich kunnen richten zowel op de kosten van een organisatie in relatie tot de bestedingen en op de bestedingen op zich.
Met betrekking tot de kosten kan onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de hoogte van de kosten ten opzichte van de bestedingen en anderzijds de soort en inhoud van de kosten afgezet tegen de bestedingen.
Voor de bestedingen kan met name gekeken worden naar de effectiviteit van de bestedingen ten opzichte van de te realiseren doelen.
4. Kosten van een organisatie
4.1 Hoogte van de kosten
Veel organisaties zullen kosten moeten maken om de bestedingen te kunnen realiseren. Deze kosten kunnen zeer divers zijn. De hoogte van de kosten zal sterk afhankelijk zijn van het soort organisatie. Verklaarbaar is dat professionele organisaties geconfronteerd worden met kosten die vrijwilligersorganisaties niet kennen, zoals met name personeelskosten.
Indien de kosten van een organisatie afgezet worden tegen de bestedingen kan gesteld worden dat daarbij een zekere verhouding bereikt dient te worden die het voor Ark Aid verantwoord maakt deze organisatie te ondersteunen.
Daarbij zou verschil gemaakt kunnen worden tussen professionele organisaties en vrijwilligersorganisaties.
Voor professionele organisaties zou een percentage vastgesteld kunnen worden van, bij voorbeeld, maximaal 25 % van de totale jaaromzet voor de kosten van de organisatie, terwijl voor vrijwilligersorganisaties dit percentage eerder op maximaal bijvoorbeeld 10% zou moeten uitkomen.
In tegenstelling tot de criteria van het CBF, zouden de kosten van fondsenwerving niet als een apart percentage van de baten uit fondsenwerving kunnen worden bezien, maar als een onderdeel van de totale kosten van de organisatie.
4.2 Soort en inhoud van de kosten
Indien de kosten van een organisatie voldoen aan de bovengenoemde criteria voor de hoogte van de kosten, zou een volgende stap kunnen zijn het kijken naar het soort en de inhoud van die kosten. Hiervoor zal het niet eenvoudig zijn meetbare criteria te ontwikkelen. Met name het gezond verstand zal hiervoor maatstaf zijn.
Als voorbeeld kan gelden de hoogte van het salaris van bijvoorbeeld de directeur.
Het past niet bij een goede doelen organisatie om de directeur te belonen met een topsalaris, bijvoorbeeld boven een ministerssalaris, ook al zou gesteld kunnen worden dat deze directeur in het bedrijfsleven navenant beloond zou worden.
Anderzijds kan gesteld worden dat een directeur van een goede doelenorganisatie een zodanig salaris dient te ontvangen dat daarvan fatsoenlijk geleefd kan worden.
Het feit dat de directeur werkzaam is bij een goede doelen organisatie wil niet zeggen dat die directeur wel op een houtje kan bijten.
De minister van Ontwikkelingssamenwerking krijgt niet een lager salaris dan de minister van Financiën of Economische Zaken, omdat Ontwikkelingssamenwerking meer een goed doel is dan de andere ministeries.
Bij het toetsen van een jaarrekening en/of begroting van een organisatie kan tevens gekeken worden of de opgevoerde kosten relevant zijn voor het doel van de organisatie.
Zo zal een organisatie die zelf actief armoede wil bestrijden in Afrika andere bedragen voor bij voorbeeld reis- en verblijfkosten laten zien dan een organisatie die datzelfde doet in achterstandswijken in de grote steden in Nederland.
Een organisatie die gebruik maakt van grote aantallen donateurs zal kosten maken voor een stevig automatiseringssysteem, terwijl iemand die solo werkt kan volstaan met een mobieltje en een p.c.
5. Bestedingen
Bij het beoordelen van de effectiviteit van bestedingen zal uiteraard de doelstelling van de organisatie als leidraad gelden.
Een bijzonder aspect daarbij is het signaleren van doorbetalingen aan andere organisaties. Hierbij ontstaat het gevaar van opstapeling van kosten door meerdere organisaties, waardoor het uiteindelijke rendement lager wordt. Iedere organisatie kan op zich voldoen aan alle criteria, maar dat wil niet zeggen dat het geld uiteindelijk voldoende wordt benut voor het doel.
Natuurlijk kan als voorbeeld een organisatie in Nederland niet alles zelf doen in de hele wereld en zal soms gebruik moeten maken van zusterorganisaties in een ander land, maar het rondpompen van geld om daarmee de kosten van organisaties te dekken is uiterst kwalijk.
In een aantal gevallen zal behoorlijk diep gespit moeten worden om hierop voldoen zicht te krijgen.
6. Tot slot
Op basis van dit stuk kan een discussie op gang gebracht worden die kan leiden tot het opzetten van een toets methode.
2. GEEF IK WAARAAN IK DENK TE
GEVEN
van K. Wendt
• Is de instantie christelijk?
In de naam?
Komen ze ervoor uit?
Houdt het ook nog wat in?
Zijn ze te vertrouwen?
Wat is hun missie? Visie?
Dragen ze dat uit?
• Geldstroom
Waar komen de inkomsten vandaan?
Is er transparantie op dat gebied?
Is de organisatie zelfstandig?
Of maken ze gebruik van partners in NL en/of buitenland?
Hoeveel % van de ontvangsten komt terecht bij het doel?
• Doelgroep
Wie is de doelgroep?
Welke organisatie krijgt het geld?
En wat doen zij er vervolgens mee?
Hoe werken zij die het geld uitdelen?
• Wat komt ervan terecht
Hoeveel personen uitgedrukt in FTE-uren werken er betaald bij de organisatie?
Gelden die FTE-uren voor het hele jaar?
Wat is het daarbij behorende salaris?
Waar bestaan de salariskosten uit?
Is er een directeur? En zo ja, wat is het bruto salaris?
Staat dat in verhouding tot niveau en arbeid?
Werken er ook vrijwilligers?
Waar bestaan de activiteiten uit van de al dan niet vrijwillige werkers?
Weging per hoofdonderwerp max. 25%. Optelsom geeft een indicatie.
van K. Wendt
• Is de instantie christelijk?
In de naam?
Komen ze ervoor uit?
Houdt het ook nog wat in?
Zijn ze te vertrouwen?
Wat is hun missie? Visie?
Dragen ze dat uit?
• Geldstroom
Waar komen de inkomsten vandaan?
Is er transparantie op dat gebied?
Is de organisatie zelfstandig?
Of maken ze gebruik van partners in NL en/of buitenland?
Hoeveel % van de ontvangsten komt terecht bij het doel?
• Doelgroep
Wie is de doelgroep?
Welke organisatie krijgt het geld?
En wat doen zij er vervolgens mee?
Hoe werken zij die het geld uitdelen?
• Wat komt ervan terecht
Hoeveel personen uitgedrukt in FTE-uren werken er betaald bij de organisatie?
Gelden die FTE-uren voor het hele jaar?
Wat is het daarbij behorende salaris?
Waar bestaan de salariskosten uit?
Is er een directeur? En zo ja, wat is het bruto salaris?
Staat dat in verhouding tot niveau en arbeid?
Werken er ook vrijwilligers?
Waar bestaan de activiteiten uit van de al dan niet vrijwillige werkers?
Weging per hoofdonderwerp max. 25%. Optelsom geeft een indicatie.
3. Criteria Goede Doelenlijst
A. volgens: Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt
Noodhulp
Naast hulporganisaties die structurele hulp nodig hebben zijn er voordurend noodhulpprojecten en tijdelijke hulpprojecten die een beroep doen op de diaconieën (bijv. hulpactie voor Darfur). Voor wat betreft noodhulp is het advies in voorkomende gevallen alleen maar giften te geven aan professionele, christelijke (nood-)hulporganisaties (bijv. ZOA, Woord en Daad, Tear). Het DS geeft hierover in voorkomende gevallen voorlichting (met name via de website, e-mail en via Dienst).
Enkele concrete overwegingen bij het geven van giften
De richtlijnen en criteria bij het geven van giften kunnen tenslotte als volgt worden samengevat:
B. volgens: Christelijke Gereformeerde Kerk
De volgende criteria worden gehanteerd voor plaatsing op de Goede Doelenlijst:
1. de organisatie die of het project waarvoor de aanvraag gedaan word moet een evident diaconaal karakter hebben;
2. de aanvraag kan ingediend worden door:
- organisaties en stichtingen die niet in aanmerking komen voor projectaanvragen, maar wel een diaconaal doel nastreven vanuit een christelijke overtuiging waarin onze kerken zich herkennen;
- een (diaconie van een) gemeente waarvan deputaten een project gesteund hebben dat inmiddels zonder steun van deputaten verder kan;
3. de aanvrager dient duidelijk te maken wat het diaconale doel en de christelijke grondslag van de aanvragende instantie is;
4. de aanvrager moet beschikken over het RBF- en/of het CBF-keurmerk en een ANBI-erkenning hebben;
5. de aanvraag voor plaatsing op de GDL wordt allereerst beoordeeld door de beleidsmedewerkers van het Diaconaal Bureau (eventueel na overleg met de werkgroep diaconaat in de samenleving) op basis van het in 1 en 2 gestelde,
- voldoet de aanvraag daaraan dan wordt de aanvraag geagendeerd voor de eerstvolgende vergadering van de werkgroep Europa;
- de werkgroep beoordeelt of voldaan is aan het gestelde in 3 en beslist of de aanvrager een plaats krijgt op de GDL;
- deputaten bewaken het beleid en de beslissingen van de werkgroep;
- een project dat van de projectenlijst afgaat, komt in aanmerking voor plaatsing op de GDL voor maximaal drie jaar, onder voorwaarde van het in 6. bepaalde;
6. na afloop van ieder kalenderjaar dient (uiterlijk voor 1 juni) een jaarverslag en een jaarrekening over het vorige jaar ingediend te worden. Gebeurt dit niet, dan wordt het betrokken goede doel van de lijst verwijderd;
7. de Goede Doelenlijst wordt gepubliceerd
- op de website met een korte aanduiding van naam, e-mailadres en website;
- in de projectenlijst met zowel naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres als website;
8. diaconieën en anderen die geld willen geven voor een goed doel op de GDL wordt gevraagd dit rechtstreeks over te maken naar het betrokken goede doel;
9. een niet-kerkelijke organisatie die zelfstandig en adequaat fondsen weet te werven zal bij voorkeur niet op de GDL worden geplaatst (organisaties waarmee deputaten nauw samenwerken worden hiervan uitgezonderd).
Handreiking voor de diaconie voor het geven van diaconale giften
Uitgangspunt:
Een gift is diaconaal als de gift helpt de nood te lenigen van een of meer mensen die geen helper hebben.
Bij verzoeken om financiële steun via de post en/of acceptgirobrieven
1. Gaat het om lenigen van diaconale nood?
Ja, ga verder.
Nee, besteed er dan geen diaconaal geld aan.
2. Is de nood structureel?
Ja, ga verder.
Nee, wijs het verzoek af tenzij het gaat om (acute) noodhulp.
Bedenk dat ‘dweilen met de kraan open’ geen diaconale taak is.
3. Is er een cbf- of rfb-keurmerk1?
Ja, ga verder.
Nee, stel dan geen diaconaal geld hiervoor beschikbaar omdat voldoende transparantie ontbreekt.
4. Wordt het diaconale bewustzijn2 van uw eigen gemeente(leden) erdoor opgebouwd?
Ja, let erop dat het ook gebeurt, ga verder.
Nee, overweeg dan de aanvraag af te wijzen.
5. Bepaal de hoogte van uw steun en doe verslag aan de gemeente met redenen omkleed en vraag
haar voorbede voor de betrokkenen/betrokken organisaties.
Bij verzoeken om steun aan een specifiek project dat wordt ingediend
1. Gaat het om lenigen van diaconale nood?
Ja, ga verder.
Nee, besteed er dan geen diaconaal geld aan.
2. Is er een lokale gemeente bij betrokken?
Ja, ga verder.
Nee, zie voetnoot 3, en ga verder.
3. Is het project een antwoord op een bestaande behoefte in de lokale gemeenschap?
Ja, ga verder.
Nee, wijs de aanvraag af.
4. Wordt het diaconale bewustzijn van uw eigen gemeente(leden) erdoor opgebouwd?
Ja, let erop dat dit ook gebeurt en ga verder.
Nee, wijs de aanvraag af..
5. Zijn de projectomschrijving en de begroting begrijpelijk en helder?
Ja, ga verder.
Nee, zorg dat u daar goed zicht op krijgt, wijs anders de aanvraag af.
6. Geeft de projectomschrijving inzicht in wat er concreet uitgevoerd wordt
(bij voorkeur met stappenplan)?
Ja, ga verder.
Nee, wijs de aanvraag af.
7. Geeft het projectvoorstel aan wat het beoogde resultaat is?
Ja, ga verder.
Nee, zorg dat u deze informatie krijgt, wijs anders de aanvraag af.
9. Bepaal de hoogte van uw steun en doe verslag aan de gemeente, regel goede uitwisseling met de
lokale kerk aldaar en vraag de gemeente om voorbede voor en betrokkenheid bij het project.
A. volgens: Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt
Noodhulp
Naast hulporganisaties die structurele hulp nodig hebben zijn er voordurend noodhulpprojecten en tijdelijke hulpprojecten die een beroep doen op de diaconieën (bijv. hulpactie voor Darfur). Voor wat betreft noodhulp is het advies in voorkomende gevallen alleen maar giften te geven aan professionele, christelijke (nood-)hulporganisaties (bijv. ZOA, Woord en Daad, Tear). Het DS geeft hierover in voorkomende gevallen voorlichting (met name via de website, e-mail en via Dienst).
Enkele concrete overwegingen bij het geven van giften
De richtlijnen en criteria bij het geven van giften kunnen tenslotte als volgt worden samengevat:
- Is het werk diaconaal van aard, d.w.z. is het gericht op barmhartigheidsbetoon aan zwakken, kwetsbaren en hulpbehoevenden?
- Wordt het barmhartigheidswerk verricht vanuit christelijke beginselen?
- Maken leden van onze gemeente/onze kerken gebruik van deze instelling?
- Komt het werk van de instelling ook wel ten goede aan niet-christenen?
- Is de hulpinstelling in zijn soort uniek als gereformeerde/christelijke instelling?
- Drijft de instelling voornamelijk op giften of ontvangt de instelling belangrijke subsidie of overheidssteun?
- Zijn leden van onze gemeente/onze kerken betrokken bij het bestuur van deze instelling?
- Is hier een (voorbeeld-)gift van de diaconie op z’n plaats of wordt de gemeente opgeroepen tot het geven van een gift?
- Is over deze instelling/dit hulpproject/deze nood expliciet geadviseerd door het GDD /DS?
- Past een gift aan deze instelling dit jaar in het giftenbeleid van de diaconie?
B. volgens: Christelijke Gereformeerde Kerk
De volgende criteria worden gehanteerd voor plaatsing op de Goede Doelenlijst:
1. de organisatie die of het project waarvoor de aanvraag gedaan word moet een evident diaconaal karakter hebben;
2. de aanvraag kan ingediend worden door:
- organisaties en stichtingen die niet in aanmerking komen voor projectaanvragen, maar wel een diaconaal doel nastreven vanuit een christelijke overtuiging waarin onze kerken zich herkennen;
- een (diaconie van een) gemeente waarvan deputaten een project gesteund hebben dat inmiddels zonder steun van deputaten verder kan;
3. de aanvrager dient duidelijk te maken wat het diaconale doel en de christelijke grondslag van de aanvragende instantie is;
4. de aanvrager moet beschikken over het RBF- en/of het CBF-keurmerk en een ANBI-erkenning hebben;
5. de aanvraag voor plaatsing op de GDL wordt allereerst beoordeeld door de beleidsmedewerkers van het Diaconaal Bureau (eventueel na overleg met de werkgroep diaconaat in de samenleving) op basis van het in 1 en 2 gestelde,
- voldoet de aanvraag daaraan dan wordt de aanvraag geagendeerd voor de eerstvolgende vergadering van de werkgroep Europa;
- de werkgroep beoordeelt of voldaan is aan het gestelde in 3 en beslist of de aanvrager een plaats krijgt op de GDL;
- deputaten bewaken het beleid en de beslissingen van de werkgroep;
- een project dat van de projectenlijst afgaat, komt in aanmerking voor plaatsing op de GDL voor maximaal drie jaar, onder voorwaarde van het in 6. bepaalde;
6. na afloop van ieder kalenderjaar dient (uiterlijk voor 1 juni) een jaarverslag en een jaarrekening over het vorige jaar ingediend te worden. Gebeurt dit niet, dan wordt het betrokken goede doel van de lijst verwijderd;
7. de Goede Doelenlijst wordt gepubliceerd
- op de website met een korte aanduiding van naam, e-mailadres en website;
- in de projectenlijst met zowel naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres als website;
8. diaconieën en anderen die geld willen geven voor een goed doel op de GDL wordt gevraagd dit rechtstreeks over te maken naar het betrokken goede doel;
9. een niet-kerkelijke organisatie die zelfstandig en adequaat fondsen weet te werven zal bij voorkeur niet op de GDL worden geplaatst (organisaties waarmee deputaten nauw samenwerken worden hiervan uitgezonderd).
Handreiking voor de diaconie voor het geven van diaconale giften
Uitgangspunt:
Een gift is diaconaal als de gift helpt de nood te lenigen van een of meer mensen die geen helper hebben.
Bij verzoeken om financiële steun via de post en/of acceptgirobrieven
1. Gaat het om lenigen van diaconale nood?
Ja, ga verder.
Nee, besteed er dan geen diaconaal geld aan.
2. Is de nood structureel?
Ja, ga verder.
Nee, wijs het verzoek af tenzij het gaat om (acute) noodhulp.
Bedenk dat ‘dweilen met de kraan open’ geen diaconale taak is.
3. Is er een cbf- of rfb-keurmerk1?
Ja, ga verder.
Nee, stel dan geen diaconaal geld hiervoor beschikbaar omdat voldoende transparantie ontbreekt.
4. Wordt het diaconale bewustzijn2 van uw eigen gemeente(leden) erdoor opgebouwd?
Ja, let erop dat het ook gebeurt, ga verder.
Nee, overweeg dan de aanvraag af te wijzen.
5. Bepaal de hoogte van uw steun en doe verslag aan de gemeente met redenen omkleed en vraag
haar voorbede voor de betrokkenen/betrokken organisaties.
Bij verzoeken om steun aan een specifiek project dat wordt ingediend
1. Gaat het om lenigen van diaconale nood?
Ja, ga verder.
Nee, besteed er dan geen diaconaal geld aan.
2. Is er een lokale gemeente bij betrokken?
Ja, ga verder.
Nee, zie voetnoot 3, en ga verder.
3. Is het project een antwoord op een bestaande behoefte in de lokale gemeenschap?
Ja, ga verder.
Nee, wijs de aanvraag af.
4. Wordt het diaconale bewustzijn van uw eigen gemeente(leden) erdoor opgebouwd?
Ja, let erop dat dit ook gebeurt en ga verder.
Nee, wijs de aanvraag af..
5. Zijn de projectomschrijving en de begroting begrijpelijk en helder?
Ja, ga verder.
Nee, zorg dat u daar goed zicht op krijgt, wijs anders de aanvraag af.
6. Geeft de projectomschrijving inzicht in wat er concreet uitgevoerd wordt
(bij voorkeur met stappenplan)?
Ja, ga verder.
Nee, wijs de aanvraag af.
7. Geeft het projectvoorstel aan wat het beoogde resultaat is?
Ja, ga verder.
Nee, zorg dat u deze informatie krijgt, wijs anders de aanvraag af.
9. Bepaal de hoogte van uw steun en doe verslag aan de gemeente, regel goede uitwisseling met de
lokale kerk aldaar en vraag de gemeente om voorbede voor en betrokkenheid bij het project.
zie ook: Keurmerkcriteria van de CBF-Keur
Woord en Daad: